dinsdag 28 juli 2015

Dag 4: Duintje klimmen

Om 6 uur gaat de wekker voor de guided tour naar de Sossusvlei, een drooggevallen meer in de Namib woestijn. Alleen in het regenseizoen staat het meer vol water. Wetend dat het in een open jeep zo vroeg erg koud is, kleden we ons dik aan. In de jeep liggen dekens, die hebben we nodig ook want het is echt koud!


De rit naar de Sossusvlei is zo’n 70 km. Gelukkig is het een geasfalteerde weg. We zien wat springbokken, een paar struisvogels en impala’s, maar echt dik is het wild niet gezaaid hier. Hoeft ook niet, want het woestijnlandschap en de rondom liggende oranje-rode duinen zijn al imposant genoeg. 

De guide stopt bij Dune One, van waaruit we een mooi overzicht over de omgeving hebben.
Daarna rijdt hij door naar Dune 45, een van de duinen die beklommen kan worden. Over de smalle rand van het duin lopen we omhoog naar de top. Het is een heavy klusje, want het zand is zacht en je zakt er met je schoenen een eind in, maar het uitzicht is zo mooi dat het de klim meer dan waard is. 


De oranje duinen tegen die felblauwe lucht, de zwarte ‘schaduwlinten’ die de hoeken van de duinen aangeven, de donkere schaduwen van de nog niet door de opkomende zon beschenen duinkanten, het is overweldigend. Bovenop het duin bedenk ik me hoe ik een volgende keer op school de complementaire kleuren kan uitleggen: aan de hand van een foto van dit donkeroranje duin tegen de diepblauwe lucht kan ik laten zien hoe oranje en blauw elkaar versterken.


Naar beneden lopen lijkt een doodenge aangelegenheid. Het duin is erg steil en de diepte is groot. Maar het blijkt een eitje: omdat je zo diep wegzakt in het zand ren je met gemak naar beneden terwijl het voelt als een slowmotion. De functie ‘glijbaan’ werkt helaas niet zonder plankje of sleetje; het zorgt alleen voor een broek vol zand.


De tocht wordt vervolgd. Bij 70 km houdt de geasfalteerde weg op en gaat over in een zandpad, waar de fourwheeldrive jeep glibberend en zwalkend doorheen gaat. Bij een picknickplek wordt de tafel gedekt en gaan we gezamenlijk ontbijten. Het is superleuk om zo met mensen uit alle delen van de wereld aan tafel te zitten en te praten. De alleenreizende Engelsman (‘No, I’m not alone, I’m with my friend the camera’), een jong stel uit San Francisco (‘I love Amsterdam, it’s so typical … uhhh … Amsterdam!’) , twee Duitse dames en een Franssprekend echtpaar uit Reunion. De picknickmand is ruim gevuld en ook hier kunnen we de eiwit-zaadhype volhouden: kwark met pompoenpitten, kom daar maar eens om midden in de woestijn.


 Na het ontbijt rijden we naar een parkeerplaats en lopen naar Death Vlei. Een wandeling van 1,1 km door de duinen. Het is inmiddels behoorlijk warm en er waait een fikse wind, dus waterflessen mee. Ook al is het maar een korte afstand, het is een stevige wandeling door het zachte zand en door de hoogteverschillen.
Death Vlei doemt op na een duin: een surrealistisch landschap bestaand uit een door duinen omringd spierwit drooggevallen meer waarin verschillende dode bomen staan. Het lijkt op een ijsbaan uit de schilderijen van …. , maar dan zonder de vrolijke schaatsers. We wandelen over de opgedroogde en bijna versteende kleibodem en zien boven ons de duinbeklimmers. Fantastische plek.


Als we terug bij de jeep zijn, voelen we ons uitgedroogd. Wit uitgeslagen huid, droge lippen en een onvoorstelbare dorst, ondanks de flesjes water die we bij ons hadden. Het Death Valley gevoel is er weer.

Rond 1 uur zijn we terug in de Sossusvlei Lodge. Het is inmiddels 27 graden, dus de korte broek kan voor het eerst uit de koffer. Met laptop, telefoon en bier settelen we ons op het terras. Bijpraten met thuis, foto’s uitzoeken en genieten van het uitzicht op de savanne voor ons.

’s Avonds doen we ons in het restaurant weer tegoed aan alle lekkere salades en vis en natuurlijk de toetjes. We gaan natuurlijk niemand de ogen uitsteken met de massa’s foto’s van het buffet (behalve Willem, die kreeg ze via Whatsapp), vandaar hier een kleine collage.


En hoe laat gaan reizigers die om 6 uur opstaan en zoveel mooie dingen zien naar bed? Juist, om kwart voor 8. Vakantie, ’t is net werk!




maandag 27 juli 2015

Dag 3: Hotseknotsen naar de Sossusvlei

Na het ontbijt pakken we de auto in voor de rit naar Sesriem, een rit van 330 km naar het zuiden. Het is niet meer zo vreselijk koud, maar zomers kun je het met 10 graden ook niet noemen. Lange broek en trui aan dus. 
De eerste 80 km tot Rehoboth zijn geasfalteerd, dat schiet goed op. Qua wildstand hebben we nog niet zoveel gezien, maar dat is meteen goedgemaakt door de grote kudde aan bavianen die we langs de weg zien zitten. Langharig, blauwgrijs, niet echt moeders mooisten.

Dit is Barend Baviaan,
Zie hem daar nou staan
Hij kijkt wat rond
Krabt aan zijn kont
En de dag is weer gedaan.

De taakverdeling is weer als vanouds op onze vakanties: Henk rijdt en ik schrijf een reisverslag. Laptop op schoot en typen, maar natuurlijk ook rondkijkend en af en toe een foto makend. Tussendoor houd ik me bezig met huishoudelijke klusjes als brillen poetsen, dopjes van waterflesjes afdraaien en het opruimen van de zooi aan kaarten en papieren. Ondanks het overzichtelijke leven in de auto ben ik toch altijd van alles kwijt, omdat ik dan het zo handige vakje waar dat boekje net inpaste, weer vergeten was.
In Rehoboth doen we wat boodschappen: drinken en eten voor onderweg. Omdat het maandag is kunnen we nu ook onze wijnkelder aanvullen; gisteren lukte dat niet. ‘No alcohol sell on Sundays’!
Vanaf Rehoboth wordt het zandhappen op de gravelroads. Onze donkergrijze auto wordt wit, vooral aan de buitenkant maar ook binnen wordt het langzaamaan steeds meer een stofboel. De gravelroads zijn overigens goed te berijden. Meestal kunnen we zo rond de 75 km per uur rijden, maar er zijn ook stukken dat we ons in een achtbaan wanen. Vooral de steile heuveltjes waarbij je niet kunt zien wat erna komt, geven je het heuse kermisgevoel.



Het landschap waar we doorheen rijden doet erg denken aan Arizona (en dan hebben we het even niet over de wegen!): droog, bergachtig, graspollen, her en der cactussen en veel verdwaalde struiken. Zelfs de mini zandstormpjes zijn gelijk. 
Her en der komen we een eenzaam huisje tegen in het landschap, te herkennen aan de waterpomp. We komen door drie dorpjes die elk uit een paar huizen bestaan. Onvoorstelbaar dat hier mensen kunnen wonen. Waar zouden ze van leven? Toch niet van die enkele koeien die er rondlopen? We snappen nu wel de megagrote zakken meel en bruine suiker die we in de supermarkt van Rehoboth tegenkwamen, want de Namibische Bol.com zal hier niet bezorgen. 
Het aantal auto’s dat we tegenkomen is minimaal, het zijn vooral toeristen die van of naar de Sossusvlei gaan. 

Rond 14 uur komen we aan in Solitaire, een nederzetting in the middle of nowhere, die bestaat uit een lodge, een benzinepomp en een bakkerij. Het is een prachtige plek, desolaat maar juist daarom zo mooi. Logisch dat Solitaire veelvuldig gebruikt is voor commercials en films. Wij vermaken ons met de rondhuppelende stokstaartjes die blijkbaar zo gewend zijn aan mensen dat ze uit onze hand eten. Inmiddels is de temperatuur opgelopen tot 27 graden, dat is betere koek.
De bakkerij verkoopt befaamde appeltaart, waar overigens de Afrikaanse mussen ook dol op zijn. Ze pikken gezellig een graantje mee bij ons aan tafel. 


De taart is inderdaad heerlijk, al zijn wij ervan overtuigd dat Afrikaanse appels meer naar peer dan naar appel smaken.

Na Solitaire gaan we voor de laatste etappe weer de gravelroads op richting Sesriem. We moeten nog 75 km.

Onze Tomtom had het na Rehoboth al laten afweten, hij had nog nooit van Solitaire en Sesriem gehoord. Wel grappig dat hij wel aangeeft waar we rijden trouwens en ook feilloos de wegnummers kent. We komen onze eerste kudu’s en impala’s tegen, zodat de wildstand mooi oploopt. 

Bij Sesriem is onze overnachtingsplek voor de komende twee dagen, de Desert Lodge. Al van verre zien we de tenten staan tegen de gekleurde bergen van de woestijn. Helaas blijkt dat dit kamp overboekt is en moeten we naar een andere locatie uitwijken: de Sossusvlei Lodge. Het is een upgrade, dus het zou nou beter moeten zijn. Doodzonde dat we de prachtige Desert Lodge moeten verlaten, maar de upgrade blijkt inderdaad een goede. Ook hier tenten, maar met een stenen aanbouw voor de douche en meer faciliteiten in de vorm van restaurant, zwembad, georganiseerde desert trips e.d. Het uitzicht is helaas iets minder mooi, omdat er een tent voor ons staat die het uitzicht deels belemmert. Het Zuid-Afrikagevoel van Buffelsdrift Lodge - tentraam opengooien en denken dat je je in een uitzending van National Geographic bevindt - zullen we hier niet ervaren.


Na het inchecken reserveren we meteen een guided tour naar de Sossusvlei voor de volgende dag, zodat we de zandduinen kunnen zien en beklimmen, maar ook naar de Deathvlei kunnen - hier kun je met de auto niet komen. 

Na een prachtige zonsondergang, waar we kleuren van geel tot rood en alles wat er tussen zit aan ons voorbij zien komen, eten we buiten op het terras van het restaurant met uitzicht op de waterplaats waar wilde dieren komen drinken als het donker is. Vandaag hebben ze helaas niet zo'n dorst. Geen probleem, want al onze aandacht is bij het eten - tè lekker! Een buffet van salades, hartige taarten, pasta's, vis, warme groente en daarbij buiten drie barbecues voor vlees (kudu en zebra!), vis en wokgerechten. Aan het vlees komen we niet eens toe, zo lekker zijn de starters al. Omdat we ons vreselijk te buiten zijn gegaan aan het toetjesbuffet, is het maar goed dat we die zebra- en kudulappen hebben laten liggen.
En het lekkerste van dit buffet? Dat het er morgen weer is!  






zondag 26 juli 2015

Dag 2: Over miscommunication en Windhoek

Na het ontbijt (kwark met fruit en zaad, jawel ook hier gaan we door met de eiwit-zadenhype) worden we gehaald door Lucas voor het ritje terug naar het vliegveld. Onderweg word ik nog gebeld door iemand van het autoverhuurbedrijf en ik vertel hem dat we op 25 km van het vliegveld zijn. Maar, op de airport blijkt geen auto te zijn. Die moeten we ophalen in Windhoek, daar is ook een vestiging van Bidvest (Ripcar grrr). 40 km voor nop gereden en opgewekt terug naar het kleinere vliegveld in Windhoek, waar bij de vestiging van Bidvest ook geen auto voor ons staat, want die hadden ze immers al afgeleverd op Vondelhof, zo'n 5 minuten nadat wij waren vertrokken. Lucas weet van niks en gaat buiten op een paaltje zitten.


Hoe dan ook: tweeëenhalf uur verder hebben wij onze Mitsubishi SUV, is Kevin van Bidvest Windhoek erg verontwaardigd over zijn collega op het internationale vliegveld ("I'll talk to the manager about this"), krijgt Lucas zijn fooi voor de niet gehouden Meet & Greet en het gedoe met de auto en vatten wij dit alles maar grijnzend samen met 'miscommunication'. Achteraf hadden we, als we de voucher hadden gelezen, kunnen weten dat de auto bezorgd zou worden: deliver! Maar goed, wie leest de vouchers? In de reisinfo stond er in elk geval niets over. Dikke tip dus voor de infoschrijvers!

Na al deze perikelen is het tijd om Windhoek, de hoofdstad van Namibie, te verkennen. We gaan eerst naar Katutura Township, 7 km buiten Windhoek. Deze township is rond 1960 ontstaan, toen de blanke Zuid-Afrikaanse machthebbers vonden dat de zwarte bevolking uit Windhoek moest verdwijnen en in hun eigen wijk moesten wonen. Apartheid, ook hier dus. De township is vergelijkbaar met die we rond Kaapstad zagen: huisjes van golfplaten en planken, maar ook stenen huizen. De grote wegen erdoorheen zijn geasfalteerd, tussen de huizen lopen zandpaden. Voorzieningen in de vorm van scholen, kerken, een winkelcentrum, gezondheidscentra zijn allemaal binnen de township te vinden. Naast de ‘echte’ winkels, zijn er veel bewoners die hun eigen winkeltjes op straat of in een schuurtje hebben, waar ze fruit en groente verkopen, auto’s wassen of haren knippen. Op de straten is het een drukte van belang. Opvallend is dat het vooral jonge mensen zijn; ouderen zien we niet, kinderen des te meer!

Hierna gaan we naar het centrum van Windhoek. We parkeren de auto voor de Duitse Christuskerk, waar drie mannen graag op onze auto passen en ondertussen sleutelhangers knutselen van noten.
In Windhoek zijn de straatnamen soms Duits, dan weer Nederlands of Engels. De Bismarck Strasse gaat naadloos over in de Robert Mugabe Street en de Stationsstraat.
We bekijken het enorme beeld van de president die ervoor gezorgd heeft dat Namibië onafhankelijk werd in 1990. Het staat te pronken voor een vreselijk lelijk en pompeus gebouw dat voor de voormalige Duitse vesting is neergezet. Het beroemde Reiterdenkmal, ooit prominent aanwezig in de stad, staat nu gestut zodat het niet omvalt, op een binnenplaatsje van de vesting. Het is bedoeld als herinnering aan de Duitse soldaten die aan het begin van de 20e eeuw zijn gestorven tijdens de opstanden van de inheemse bevolking van Namibië.
Duitse invloeden zijn verder te zien aan een paar vakwerkhuizen, gedenkstenen met namen van Duitse soldaten en een zeer naargeestige plaquette van negers die opgehangen zijn in de boom onder het toeziend oog van Duitse soldaten. Laat de Namibiërs daar ook nog maar een mooi presidentieel beeld voorzetten.

Windhoek is eigenlijk een erg lelijke stad. Het is een ratjetoe aan gebouwen waar maar weinig moois aan is. Ook de bezienswaardigheden uit het boekje kunnen ons niet echt boeien.  We besluiten te gaan lunchen, maar dat is nog een heel gedoe in een stad waar op zondag alles dicht is! Gelukkig vinden we een restaurantje, waar we het lekkerste knoflookbrood ooit eten. Daarna gaan we terug naar de Vondelhof, om nog even een paar uurtjes van de zon te genieten voor het weer zo koud wordt!

’s Avonds eten we bij Joe’s Beerhouse, een openlucht restaurant in een soort Westernstijl. Terwijl er weer drie mannen op onze auto passen, eten we naast de open haard biefstuk van kudu, oryx en gemsbok, maar proeven het verschil eigenlijk niet. Het is gewoon lekker!

En om half 10 liggen we in bed, te koud om lekker buiten te zitten.

zaterdag 25 juli 2015

Dag 1: Van Amsterdam naar Windhoek

Om kwart voor 4 gaat de wekker. Kort nachtje. We rijden naar Schiphol, parkeren de auto op 409 (side info voor als we het over drie weken niet meer weten) en lopen naar de transferplek. Het is koud en winderig, de voorbode voor de code geel-zomerstorm die wij niet gaan meemaken in Nederland. Er komt al snel een bus aanrijden. De onnozele vraag van een andere reizigster: "Is dit de bus?" wijten we aan het vroege tijdstip. Of zou ze werkelijk denken dat dit het vliegtuig was?
Het eerste deel van de vlucht gaat naar Frankfurt, waar we om kwart over 9 landen. Een redelijk zinloze tussenstop, want we zijn nog net zo ver van Namibië als om kwart voor 4 maar al wel een halve dag onderweg!
We vliegen met Condor, een Duitse vliegmaatschappij. Prima plek achterin het vliegtuig. Ook bij Condor heeft de zuinigheid toegeslagen, want voor de dingen die op intercontinentale vluchten toch redelijk normaal zijn, moet hier betaald worden: filmpje kijken, spelletje doen, wijntje drinken.



De vlucht duurt 10 uur (stukje om zodat we niet over Libië vliegen) en tussen de maaltijden en glaasjes water door halen we wat uurtjes slaap in. Mooi om de Zwitserse Alpen van bovenaf te zien, de toppen komen boven de wolken uit. Ook de Sahara is indrukwekkend en vooral onvoorstelbaar groot.

Boven Algerije

Rond half 8 komt  het vliegtuig tot leven. Het lijdzame stille zitten en wachten gaat over in opwinding: mensen gaan aan de wandel, kussentjes worden onder de stoel gedouwd, koffertjes gaan open en weer dicht, oortjes worden opgerold: de landing is nabij. Op het schermpje voor ons zien we dat het vliegtuig daalt. De landing komt echter sneller dan we dachten: op een hoogte van 1700 m, als wij nog een restje daling verwachten, staan we ineens op de grond. Windhoek blijkt wat hoger te liggen dan wij wisten! Rondom het vliegtuig is het al snel een drukte van belang: mannetjes die het vliegtuig leeghalen en anderen die het gaan schoonmaken. Maar waarom hebben die allemaal van die dikke jassen aan en mutsen op?
We mogen achter uitstappen, dat scheelt een boel wachten. Hier geen slurven of bussen, maar old school de vliegtuigtrap af en wandelend over het vliegveld naar de aankomsthal. De dikke jassen en sjaals zijn ons inmiddels duidelijk: het is stervenskoud! Oké, het is winter, dat wisten we, maar dit is wel heel erg winter....
In de aankomsthal staat iemand met een bordje met onze namen erop. Hij zal ons naar Vondelhof Guesthouse brengen. De auto die we gehuurd hebben staat pas gereserveerd voor morgen en onze vraag of we er nu al een mee kunnen krijgen wordt niet gehonoreerd. De afstand tot Windhoek is 40 km. Het is aardedonker, dus van Namibië zien we nog niets.

Bij Vondelhof neemt Lucas afscheid. Hij zal ons morgenvroeg om 9 uur komen ophalen, om terug te rijden naar het vliegveld voor de huurauto.

In Vondelhof worden we ontvangen door Yvonne, de Nederlandse eigenaar van het guesthouse.  Ze  wijst ons onze kamer, die minstens even koud is als buiten. "Er liggen kruiken voor jullie klaar." Er schijnt een koufrontje vanaf Kaapstad roet in het eten te gooien, en "zo koud is het normaal nooit hoor," zegt Yvonne, gekleed in een teddyvest en Uggs-laarzen. Om warm te worden, stappen we onder de douche en dan gaan we ook snel slapen ... onder een berg dekens, maar als ware bikkels wel zonder kruik.

Frankfurt Airport

Nog maar 10:10 en al een halve dag achter de rug voor een redelijk zinloze vlucht 😊
Om kwart voor 4 stonden we al naast ons bed voor de vlucht van Amsterdam naar Frankfurt. Geen stap verder dus nog, maar dat gaat zo veranderen. Over een paar minuten kunnen we boarden voor de tweede vlucht, naar Windhoek (of Windhuk zoals de Duitsers zeggen). Nog net voor de zomerstorm omhoog, hopelijk blijft code geel achter ons. Een heel vliegtuig vol Nederlanders op weg naar een mooie vakantie!
Binnenkort meer - mits er WiFi is in Windhuk 😃